Zie de figuur hieronder. Gegeven: de rode driehoeken zijn rechthoekige driehoeken.

Doe achtereenvolgens het volgende, maar zorg dat het een lopend verhaal wordt en niet een rijtje "antwoorden op vragen":
- Bewijs dat de hele figuur een vierkant is (zijden gelijk en hoeken 90 graden). Deze is flauw.
- Bewijs dat de gele vierhoek een vierkant is (beetje nadenken).
- Wat is de lengte van een zijde van de hele figuur, uitgedrukt in a en b?
- Wat is dus de oppervlakte van de hele figuur, uitgedrukt in a en b? (haakjes wegwerken)
- Wat is de oppervlakte van de gele figuur, uitgedrukt in c?
- Wat is de oppervlakte van de 4 rode driehoeken samen, uitgedrukt in a en b?
- Gebruik 5 en 6 om een alternatieve uitdrukking voor de oppervlakte van de hele figuur te krijgen.
- Gebruik 4 en 7 om de stelling van Pythagoras te krijgen (dat is nu eenvoudig geworden).
Ga na dat het enige echte "bewijs" in stap 1 en 2 zit. Ga ook na dat die niet overgeslagen kunnen worden!
Bovenstaand bewijs wordt in het werkstuk exact beschreven. Met 'exact' bedoelen we dan: zo nauwkeurig, zonder details over te slaan, dat een klasgenoot die niets van dit onderwerp weet het probleemloos zou kunnen volgen.
Ga, als je klaar bent, weer terug naar de Proces-pagina.
home| introductie | taak | proces | evaluatie | conclusie | bronnen | email
(c) H.J. Veenstra 2003