soms dans je, heel stil,
achter mijn ogen, zo stil dat
je zelf niet weet dat je hier
zo fluisterend aanwezig bent
en zelfs ik, zelfs deze dromer
van stenen, begrijpt niet (of
niet altijd) hoe je daar nou
verzeild bent geraakt
zelfs ik, met deze rugzak vol
zwerfkeien, hoor soms nauwelijks
hoe je door dit verwarde hoofd
je toch een weg baant,
je stap voor feilloze stap
een weg baant naar de zachte
aarde die hier diep (zo vaak
te diep) begraven ligt
(c) H.J. Veenstra 2001.