Honderd handen ontvouwen de wereld voor me
als iedere schoonheid vergeten is,
duizend gezichten fluisteren mij hun geheime waarheid toe
als iedere hartstocht is verloren,
de kamer van de tijd spreekt niet langer
door mijn ogen en dan
ontelbare malen verlaat ik mijn ketenen,
met slaapzachte stem vertelt de zon
over de nachthemel in haar brandend lichaam,
het regenwoud ademt in mij met haar
talloze geluiden als in de wind
uiiteengeflard gebabbel en gelach als iedere
verwachting vergaan is en slechts
mist over land bleek te zijn,
iedere vorm lost zich op in deze luchtvleugels
als de bewegingen verstard,
de ogen gezuiverd zijn
en daar zwemt de laatste zalm fonkelend
tegen de bruisende glazen rivier op
(c) H.J. Veenstra 2001.