Een eenzame penseelstreek zwart
op wit, de verstilde roep van een
spelend kind waait
mijn raam binnen, rotsen zijn
versteende weekdieren en daar
tussendoor als in bomen de zachte
zomerwind jouw lichte lach,
gesmolten aarde, in jouw handen
mijn ongeboren kind, mijn waanzin ook -
gestolde ruimte en vloeibare lucht, ik
ben een vis en zwem naar de
stilte van de zon, ik ben een
weekdier en verstop me in
mijn pantser, maar jij, visser,
vrouw van de zee, vindt me telkens
en telkens weer breek je me
open, geweldloos, geluidloos in de
stilte van de zon
(c) H.J. Veenstra 2001.